Oefeningen met Strings in Python

Dit zijn opdrachten over Hoofdstuk 3, over Strings, Lijsten, Tupels en Woordenboeken. Je loopt onderweg tegen flink wat problemen aan, die je moet oplossen met de theorie die in het boek staat. De enige manier om het te leren, is hier de fout maken en herstellen. Good Job!

Voor alle opdrachten geldt: Print je resultaat!

Strings met jouw gegevens

  • Maak een variabele voornaam en zet jouw voornaam erin. .
  • Doe hetzelfde voor  achternaam.
  • Maak nu de variabele naam. Hiervoor plak je je voor- en achternaam aan elkaar. Niet mooi? Voeg een extra string toe, die bestaat uit een spatie.
  • Maak nu een variabele straat met jouw straat. Maak een string adres, die bestaat uit straat + huisnummer. Gebruik de functie str() om het huisnummer naar een tekst om te zetten.
  • Maak nu een string straat2 en vul die met ‘Van ‘t Hoffdreef’
  • Maak nu een string praatje : Zegt Henk tegen Jan :” Hoi Jan, kun je ‘s avonds even langskomen om mijn computer te maken ?”
  • Maak de variabele adres2, dat is straat2 met huisnummer 12. Gebruik de functie str() om het huisnummer naar een tekst om te zetten.

Trucs met Strings

We gaan werken met de functies:

  • len(string)
  • string[5] het zesde teken
  • string[5:9] het zesde t/m 10de teken.
  • hooiberg.find(naald) zoek string naald in de string hooiberg. find geeft -1 voor false en anders de index van de naald (waar die staat dus)

Opdrachten

  • Vraag de lengte van naam en straat op.
  • Vraag op of de string dreef voorkomt in straat2. Zo ja, op welke index?
  • Op welke index begint jouw achternaam in je naam?